Scan voor CodexCoëfficiënt
Lied Van Antoon
- Er was een boerenmeisje,
Er was een boerenzoon,
Sofie heette dat meisje,
Antoon heette die zoon.
En heddem niet gezien,
't Was zo ne grote smeerlap,
En heddem niet gezien, Antoon?
- Het meisje had seksappeal,
De jongen was heel heet,
Daaruit ontstond een drang,
Die ieder zelden kan.
- Ze hadden saam besloten,
Ze hadden saam beslist,
Eens lekker te gaan vogelen,
Al in de haverkist.
- Maar door het danig wrijven,
En stoten van zijn zot,
Daar vloog hij godverdomme,
Die haverkist op slot.
- De vader moe van werken,
Kwam 's avonds laat naar huis,
Wat vond hij te bemerken,
Noch zoon noch meid was thuis.
- Na lang en pijnlijk zoeken,
Wat vond hij tot zijn spijt,
Zijn allerliefste zoontje,
Al boven op die meid.
- In dolle woede ontstoken,
Wat toen die smeerlap deed,
Hij nam een emmer water,
En goot hem op die twee.
- Op haar blanke navel,
Kreeg zij een volle scheut,
Ze zei: "Het is toch spijtig,
Want w'hadden heel veel leut."
- Maar negen maanden later,
Toen kwam een kleine guit,
En die had me godverdomme,
De haver op zijn snuit.
- Daaruit wordt nu besloten,
Daaruit wordt nu beslist,
Dat vogelen godverdomme,
Geen kinderspelen is.
Auteursrechtinformatie over dit lied