De boerkens smelten van vreugd en plezier,
als d' oogst is binnen getreden.
Zij gaan met hunne boerinnen te bier,
en zij maken zeer goede sier.
De bezem steekt ten venst'ren uit,
men danst er, men speelt er al op de fluit,
op potten, op pannen, op glazen, op kannen,
op allerhande geluid,
op messen, op schuppen, op 't zoute vat,
op hangel, op tangel, op dit en op dat,
op 't trommeltje rom, dom, domme, dom, dom,
op keteltjes, lepeltjes, tikke, tik, tang,
en dat duurt er de hele nacht lang.
De advocaat en procureur,
zijn zulke beurzeschuimers,
zij lopen met uw schijven deur
en nog laten zij u in 't getreur.
't Is: "Vrienden, stelt uw actie in,
ik blijve borge voor 't gewin!"
Citatie, collatie, arresten, rekwesten,
van zulk enen drolligen zin!
En als na altemale dat
gemaakt is uwe beurze plat.
Na replique, triplique, revisie, remisie,
requisitorialen die zakken uitmalen,
nog krijgt gij 't proces aan uw gat.
De muzikant, al zingt hij galant,
het geldeken moet zijn verslonden,
hij zit straks met de kan in de hand,
om te blussen zijn dorstige brand.
't Is al van ut, re, mi, fa, sol,
ja, tapt nog eens mijn pintje vol!
Allegro, piano, zij drinken lantano,
zo krijgen 't zij in de bol.
Daar is nu heel 't concert verbruid,
de ene die zingt er de anderen uit.
Zij spelen, zij krauwen, men zou er af spouwen,
de bas, violist en de orgelist mist:
daar ligt de muzieke verkwist.
Beziet de handel van de barbier,
doktoor en apotheker,
zij krabbelen op een stuksken papier
een regelken twee, drie of vier.
Daar krijgt gij een druppel vijf of zes
uit een gedistilleerde fles.
't Zijn pillen en grillen, konserven, reserven,
van zulk een drollig acces.
Uw maag wordt een kruid'winkelkas,
vol compas en vol zulk een bras.
Van reutelink, preutelink in uwen buik,
daar moet gij 't nog kakken of spouwen uit:
zijt gij daarmee niet wel gebruid?
De pastoor, koster of kapellaan,
die vissen op hun getijden,
zo iemand sterft, de klokken die gaan,
dan wordt er een uitvaart gedaan.
Zij zingen met een blijde stem
vigeliën en requiem,
requiescat in pace, het geld in ons kasse,
en zo begraven zij hem.
Een paar getijde gefondeerd,
een huwelijk gecontracteerd,
een vrouw in het kraam, het kind zijnen naam,
met 't was van het lijk, de kerke wordt rijk.
Zegt eens, heb ik geen gelijk?
Toch ieder met gezond verstand
verkiest het studentenleven.
Zij hebben geen geldeken in de hand,
maar leven toch zeer plezant.
Hun dunkt dat zij wel heren zijn,
al drinken zij maar bier voor wijn.
Ze brassen en brossen en rollen en vossen
en spreken in zuiver Latijn.
Een zotternij vol spotternij,
met ieder erbij, al vrolijk en blij.
Ze zingen zo vrij, de avond voorbij
een liedeken fijn, met jolig refrein.
Wat dunkt u van dit festijn?